• Zduma

Zd-4

   De wafels van het onwerkelijke verdriet

     Zestien januari was het opnieuw zover. Tijdens de derde zaterdag van januari mochten we op onze kalender al voor de negende keer de dag van het onwerkelijke verdriet aftekenen. Op deze hoewel intussen toch reeds aan haar negende editie toe nog steeds clandestiene maar uiterst eigenzinnige dag vraagt men overal ter wereld aandacht voor onwerkelijke problemen, fictief verlies en onmogelijk verdriet. ‘Onbegrijpelijk!’ denkt u afkeurend? Kent de wereld al niet genoeg w e r k e l i j k e problemen? Zduma vroeg het aan de bedenker van deze opmerkelijke dag, die voor dit artikel liever anoniem bleef. We interviewden hem tijdens een boerenkermis. Een verslag van een interessante namiddag.


     Chipolata met kandijsuiker. Acnetaart. De Mona Lisa met witte sneakers. Drie geamputeerde diabetische tenen. Van Jelle Cleymans op strijkers tot heimelijk verlangde geelzucht. Het onwerkelijke lijden is werkelijk eindeloos. Een reden te meer, stelt onze naamloze man, er tenminste één dag bewust van te zijn.


     “Ieder jaar opnieuw is het een bijzondere gebeurtenis. In wezen is het geen gebeurtenis” verklaart onze naamloze man mysterieus, “maar een verwerkelijking van dat wat niet gebeurt!”


     Het zal niet de enige cryptische uitspraak worden. Dat we ons uitgerekend hier, tijdens een boerenkermis, ontmoeten is uiteraard geen toeval. Een feest door ons naamloos karakter zorgvuldig uitgekozen. Hij waarschuwt ons echter meteen: “Een volkse boerenkermis, denkt u, waar varkenspoot, beuling en haring wordt verkocht? Wat de onwetende bezoeker hier niet weet, is dat deze festiviteit een verborgen agenda verhult. Hier, zoals vandaag elders in België, celebreert men de dag van het onwerkelijke verdriet.”


     Er volgt een betekenisvolle knipoog. Toegegeven, wij met Zduma zien enkel brave burgers en landbouwers die zich reeds om tien uur ’s ochtends overgeven aan trappisten, jenever en gerookte haring. Toch een ontmaskerende knipoog zindert wantrouwig in de passanten na.


     “Kan u aan onze lezers kort uitleggen waar de dag van het onwerkelijke verdriet juist vandaan komt?”


     “U moet weten, we leven thans in een overmacht aan actualiteit. Deze hele informatiestroom, we geraken onmogelijk nog bij. Zelfs het nieuwe komt al te laat. Dit is een hele nieuwe conditie waaraan de mens plots blootgesteld wordt, diens dagen sinds het ontstaan van de mensheid nochtans uit een zekere verveling en afwezigheid bestonden. Wij willen deze afwezigheid, volgens ons een wezenlijk onderdeel van het dagelijkse voelen en ervaren, behouden alvorens het voorgoed verdwenen is.”


     Alvorens de afwezigheid verdwenen is – het klinkt eerder als een ambigu apocrief geschrift dan een feestelijk motief.


     “Excuseer, maar is ‘het afwezige’ de facto al niet – iets verdwenen? Kan u dit pleonasme misschien wat meer toelichten?”


     “Kijk maar eens goed naar de bezoekers hier.” Onze naamloze man krijgt enkele witte en citroengele jenevertjes aangeboden en speelt deze gespierd naar binnen. Vervolgens verklaart hij met een hoekig glimlachen: “Wat u niet weet is dat de mensen die u hier ontmoet niet deze mensen zelf zijn.”


     “Hoe bedoelt u dat?”


     “Spreek maar eens iemand aan. De mensen stellen zich als Jos, Patrick of Mathilde voor. Denkt u vooral niet dat ze dat zijn! Tenminste vandaag niet. Ieder slaagt er voortreffelijk in zichzelf thuis achter te laten.”


     Bij de start van Salphenkermis wordt ieder jaar symbolisch een varkenskop verkocht. Dit moment, wanneer de varkenskop als een overwinningsbeker de lucht in wordt gestoken, is voor onze naamloze man meteen één van de hoogtepunten en tegelijk het symbolische startschot van een etmaal onmogelijk verdriet. De varkenskop als opgaande zon, die honderden mensen samenbrengt als verwachtte men een komeet aan de hemel. De realiteit blijkt minder poëtisch.


     “Niemand heeft werkelijk interesse, toch iedereen biedt er op! Men doet dus maar alsof! Maar let op: niet het alsof van het gewone, dagelijkse leven, waar iedereen doet alsof hij weet en doet. Dat is het ‘m net. Ik doel op een ander alsof!” Vervolgens verklaart onze man in wel erg associatieve gedachtesprongen: “Zelfs de UNESCO was geïnteresseerd in ons initiatief en benoemde in onze eerste jaren het onwerkelijke verdriet terstond tot werelderfgoed!”


     De trappisten worden intussen vlotjes gehesen. Onze onwerkelijke man schuwt moedige uitspraken niet. Toch het blijkt correct: ieder jaar wordt er wel degelijk een hele én een halve varkenskop verkocht. Eveneens het verhaal van de UNESCO-erkenning blijk correct.


     “Helaas heeft de dag van het onwerkelijke verdriet vorig jaar haar UNESCO-toekenning verloren, nadat iets over onwerkelijk lijden met judaïsme werd verbonden.” Meteen de reden waarom onze gast liever anoniem blijft, naar eigen zeggen uit vrees voor Bijbelse represailles.


     “Onwerkelijke uiteraard” knipoogt de naamloze bedenker. “Het blijft een treurig voorval. Helaas werkelijk.”


     “Laten we het dan maar over die onwerkelijke problemen hebben!”


     “Een uitstekend idee!”


     “Kan u voor onze lezers de vinger iets meer op dit eerder vermeldde onwerkelijke leed leggen en hen kort toelichten waar dit allemaal juist over gaat?”


     “De feestdag van het inexistente verdriet is een hoopvolle dag voor alle gevallen. Zoals u ziet: iedereen is hier! Arm en rijk, jong en oud, mooi en lelijk: iedereen kent zijn onwerkelijke problemen. En laat ons net in dat wat we niet kunnen delen meer met elkaar verbonden zijn dan in ons dagelijks leven met al haar werkelijke problematerie! Dat is toch bijzonder, niet?”


     “Uiterst! Alleen hebben wij het nog niet helemaal begrepen. Wat doet men dan juist op deze dag?”


     “Ontmoet men iemand, stelt men zich bijvoorbeeld als Marc voor.”


     “Als Marc?”


     “Jazeker. Ach, het onwerkelijke lijden dat men heeft, ware men Marc geweest! Als Marc schudt men vandaag handen. Hoe anders het ontmoeten dan reeds voelt! Een bescheiden, onderdrukt krullen ontspringt plots in de mondhoeken, toch innerlijk moet men reeds breed glimlachen! Bij de Marc begint het reeds!”


     “Ja, bij Marc begint het reeds… Maar wat begint reeds bij hem?”


     “U heeft zich nog nooit als Marc voorgesteld? U moet het vandaag beslist eens doen. Iedereen doet het hier. Het is een zegen en een glimlach! Daarom zijn we natuurlijk hier.” “Het zit namelijk zo”, vervolgt onze naamloze spreker na een kort oponthoud met drie andere Marcen en evenveel trappisten: “Het leven, in de situaties waarin het zich voordoet, maakt een aantal vragen, gevoeligheden en verwerkelijkingen onmogelijk. Net omdat het zich voordoet in de situaties waarin het zich voordoet! De vraag is daarom of we het leven überhaupt wel kunnen kennen, en niet eerder slechts situaties waarin het zich actualiseert. Ik denk namelijk dat dit de geheime betekenis van de varkenskop is. Enfin, deze soort onmacht, die sluipend in iedere ervaring ligt…”


     “Excuseer welke onmacht?”


     “Die onontwijkbare, geheven varkenskop die ons aankijkt! Dit gevoel dat »dit« uiteindelijk jouw leven is. Half of volledig, het kijkt terug! Kortom gevangen in het eigen lot, in de poëzie van onze geschiedenis: opgewonden zijn, aarzelen en niet durven. Wel vandaag schamen we ons er eens niet voor maar dragen we er uit voor.”


     “Neem me niet kwalijk, draagt men uit de varkenskop voor?”


     “Uit deze poëzie.”


     Onze naamloze man praat met zulk een vanzelfsprekendheid over de Salphense dingen hier, dat we ons haast schamen over onze vragen. Hij legt uit, gaat verder, schudt intussen handen, gaat gesprekken aan, kapt ginds een trappist achterover, stelt zich inderdaad als Marc voor, maar vermeldt ook schijnbaar betekenisloze dingen, een wedstrijd om ter ’t gestrekte wijsvinger hebben bijvoorbeeld en voert ons dan weer naar de volksdansen door de Sint-Jorisgilde, om vervolgens zelotisch verlekkerd naar tot barstens toe gebakken zwarte pensen en in boter aangebrande varkensoren te kijken. We lopen netjes achter hem aan. Zduma ziet er niets van onwerkelijk verdriet in.


     “Ik zoek de wafels” zegt Marc. “Iedereen zoekt ze hier. Ze zijn de lekkerste van allemaal, maar niet te verkrijgen. De wafelbakster is vorig jaar gestorven...”


     “Marc, om nog even terug te komen. Wat wordt juist voorgedragen? Kan u misschien een voorbeeld geven? Het lijkt allemaal nogal abstract en droevig.”


     Zoals een zwemmer van op de waterkant met twee gevouwen handen aanstalten maakt om te springen, zo zien we Marc, hij lijkt wel getransformeerd, plots in zijn trappistenglas duiken. Vervolgens duikt hij weer boven.


     “Kijk, u kan een arts moeilijk bezoeken om hem vervolgens te vragen welke aandoeningen hij het mooiste vindt. Het dagelijks leven waarin we ageren sluit een aantal handelingen, gevoeligheden en antwoorden uit. Dat is jammer. Het zijn net dit soort gevoeligheden die we in de dag van het onwerkelijke verdriet op het leven heroveren.”


     Mocht de vertwijfelde lezer, net zoals wij overigens, intussen denken dat de dag van het onwerkelijke verdriet een onbegrijpelijke dag van diepe filosofische consternatie of existentiële radeloosheid is, wacht nog even het oordeel! Onze naamloze man garandeert: het is één groot existentieel feest. Eén voor die vragen die men in het leven doorgaans niet kan stellen en voor de dingen die men doorgaans niet kan voelen, die plots mogelijk worden eens men Marc is.


     Marc spreekt enkele omstaanders aan. We horen volgende vragen: “Of men het strijkijzer omgekeerd in het hondenhok heeft gezet? Of men de paarden met floeren zeep heeft gewassen? Of de jarige leugenaar het riet heeft bijgeknipt?”


     We moeten toegeven: de poëzie van het alledaagse, waaruit hier voorgelezen wordt, kent wel heel bijzondere proposities! Marc straalt. “Plots krijgen de dingen andere betekenis!” Hij behartigt ons dat de dag van het onwerkelijke verdriet, hier op Salphenkermis of elders in het land, allerminst een fiasco betekent, maar net de bevrijding van een verstikkende logica die alles gevangen houdt.


     “Op zestien januari bijvoorbeeld kan men zijn broek achterstevoren dragen! Kijk! Marc draagt zijn broeken steeds achterstevoren” verklaart Marc, die enkele gesprekken later vanzelfsprekend tot Marcel transformeert, en wijst trots naar zijn broek. “Weet u, wij knopen onze nestels terwijl we naar het volgende drama vertrekken. Een heel jaar lang knopen we bij een nieuw drama aan. Slechts jarige leugenaars of omgekeerde strijkplanken doen ons even aan deze eindeloze, werkelijke verknoping met de dingen ontsnappen.”


     Marcel, ja intussen Marcel, lijkt ontbolsterd. Dit is zijn jaarlijkse, onwerkelijke hoogmis. “Alsmaar meer mensen ontdekken de waarde en vreugde van deze buitengewone dag. Vaak ontstaan er ergens”, vervolgt Marcel, “in iemands huiskamer of in een bescheiden kroeg, een spontaan feest –werkelijk of onwerkelijk– en durft er al wel eens iemand op tafel dansen. Wanneer dit de derde zaterdag van januari gebeurt, kijk niet vreemd op, maar ga op deze feestende toe en fluister hem of haar vervolgens wat onwerkelijks in de oren.”


     Onze onderzoekende blik verschuift van Marcel naar de bezoekers op Salpenkermis. Gedragen deze mensen zich hier werkelijk anders? Hebben zij zichzelf thuisgelaten? Wenden zij werkelijk wat onwerkelijks voor? Maar, is dit dan evenmin geen – werkelijkheid?


     Voorwaar! Ginds wordt op de tafel gedanst. Daar heeft iemand zijn broekrits open! “Geen toeval” weet Marcel. “Kijk daar, daar waagt iemand zich aan een poging boeren te fluisteren.”


     “U bedoelt: aangezien dit een boerenfeest is, landbouwlieden iets toe fluisteren?”


     “Neen hoor. Boeren fluisteren. Geen boer laten, maar er één fluisteren. Probeer het maar eens! Het mooiste is wanneer men hier op Salphenkermis in deze magie meegaat en zich overgeeft aan ieders onwerkelijk leed. Dan verschijnen de mensen… bijna als een embleem.”


     Een embleem? Toegegeven, Marcel heeft een bijzondere manier van spreken. Toch hij slaagt er uitstekend in, zolang de trappisten tenminste volgen.


     “Marcel”, hoewel we intussen diens existentieel spoor bijster zijn geraakt nu hij zichzelf in gesprekken als ‘Gwen’ voorstelt, “kan u de lezer toch eens uitleggen waarom nog eens onwerkelijke problemen uitvinden, wanneer we voor diegene, die zich dagelijks stellen, al haast geen oplossingen vinden?”


     “Net om aan deze impasse te ontsnappen!” grapt Gwen al happend naar een met tussen duim en wijsvinger opgetrokken staartvin van een gerookte haring. “En aangezien ieder lijden in wezen onbegrijpelijk is, kan het in haar onwerkelijke variant niet zo veel van haar werkelijke tegenhanger verschillen? Niet? Want is bijvoorbeeld het lijden van Madame Bovary of Jerry (uit Tom en Jerry, red.) dan werkelijk minder werkelijk dan haar werkelijke variant?”


     “U suggereert dat lijden een zekere exclusiviteit verlangt?” Gwen bevestigt. Salpenkermis – het klinkt stilaan als een kernwoord uit een filosofisch curriculum, een gemeenplaats voor ieder gevoelig meerwaardezoeker. Toch we zien hier enkel gemorste trappisten, geopende broekritsen en zich als Marc voordoende mensen.


     “En waar ligt dan juist het verschil tussen de werkelijke en onwerkelijke variant?”


     “Dat het zogezegde onwerkelijke lijden die exclusiviteit, die haar nochtans evenzeer toekomt, nooit krijgt. Maar niet op Salphenkermis en de dag van het onwerkelijke verdriet. Dan krijgen de mensen exclusiviteit voor wat ze nooit waren: jarige leugenaars, floeren paarden, vastberaden handenschuddende Marcen en dansers op tafel met hun broek achterstevoren.”


     “Was het niet floeren zeep op paarden?”


     “U meent het onmogelijke exhaustief te kennen?” Gwen maant aan tot probalistische bescheidenheid. Langzaam valt de avond, toch de trappisten blijven komen. Ook het aanwezige volk neemt duidelijk toe. Mensen stellen zich voor in een veelheid aan namen. Cindy’s, Jonathans, Laurensen en Dorienen. Overal spreekt men plots de Burgmeester van het dorp: reeds vier mensen stelden zich als hem voor. Marcen, Sonja’s en Patricken hoort men praten en al pratend hun onwerkelijke problemen verwerkelijken. Ook Tilly (van Thuis, red.) loopt hier tot onze verbazing rond.

     “De gabber van het plaatselijk café”, verklaart Gwen. “Ieder jaar is hij een ander thuispersonage. Dit jaar koos hij voor Tilly’s onwerkelijk leed.”


     “Maar Marc” – “Gwen” – “Excuseer, Gwen, waarom is het dan zo belangrijk dat deze dag over onwerkelijke problemen gaat en pakweg niet als de dag van het onwerkelijke plezier beleeft wordt? Waar ligt juist het onderscheid?”


     “Dat we in ons leven al genoeg gedwongen worden problemen en lijden zwijgend mee te dragen. De dag van het onwerkelijke verdriet, die intussen aan haar negende editie toe is, is slechts één actie waarmee wij aandacht voor deze problematiek vragen. Regelmatig organiseren wij onwerkelijke Marc-betogingen in Brussel of verkopen suikerwafels als inzamelactie voor onwerkelijk verdriet.”


     Het lijkt ons allemaal wat vreemd en onbegrijpelijk. Ons naamloos karakter, dan Marc, Marcel, tenslotte Gwen, intussen Erik of een ander tandwiel in het draaiwerk van onze onwerkelijke problemen, schijnt alsmaar te willen garanderen dat op zestien januari we het gordijn van onze existentie zomaar even optillen, of misschien juister: weten te verhangen door een nieuwer. Tegelijkertijd lijkt niets van wat deze mensen hier doen, van varkenskoppen hijsen tot hun met bier gemorste broeken achterstevoren dragen, daar ook maar iets mee te maken te hebben.


     We staan voor een impasse. Worden wij met Zduma er in geluisd? Is er misschien een complot tegen ons gaande, waaraan iedereen hier mee doet? Of krachtiger – is er helemaal geen complot en doet iedereen gewoon maar wat? Klopt het dus toch… Gewapend met de journalistieke reflex tot zelfkritiek en het verlangen naar goed objectiverend onderzoek moeten we toegeven dat Zduma het Erik ook niet gemakkelijk maakt, wanneer Zduma hem aldoor bevraagt een niet-reflectieve activiteit reflectief te omkaderen.


     “Terechte opmerking!” Erik heft het trappistenglas. Op tafel dansend en in gezelschap van twee vrouwen knipoogt hij ons toe: “De dag van het onwerkelijke lijden, daar spreekt men vaak ook nog eens af met oude geliefdes. Mannen of vrouwen bijvoorbeeld die men nooit had kunnen krijgen. Vervolgens celebreert men zijn niet-geworden leven.”


     Zijn leven te leven zodat men het in de herinnering pas beleeft – op Salphen gebeurt het. Het is werkelijk een huzarenstuk. Wat hier allemaal samenkomt, is uiterst overwogen en verregaand. Een wormhole. Laurens zag hier zijn eigen jeugdige slungel terug. Dorien ontmoette de vader van haar nooit ontvangen dochter. Tilly voerde er onuitgevoeren Thuis-scripts op. Ja, ons respect: Marc, of wie hij vandaag ook moge wezen, is een groot denker. De dag van het onwerkelijke verdriet schijnt werkelijk een dag te zijn die mensen met elkaar verbindt. Want, en daarin moeten we Marc gelijk geven, de mensen kunnen in hun werkelijke tegenslagen, hun dagelijkse vreugde, hun werk of geluk verschillend zijn, maar niet in hun onwerkelijke lijden. De mensen hier vandaag, op Salphenkermis, of ze nu boeren fluisteren of wedstrijden wijsvinger strekken houden, zij weten waar ze bezig mee zijn.


     “Dit is het jaarlijks moment”, stelt Erik, “wanneer men plots op tafel danst en iedereen vreemd lijkt op te kijken. Dan wanneer men over strijkplanken of nominalistische varkensogen begint, toch de ingewijde die zich, met alles instemmend, dankbaar begrepen voelt...”


     Erik besluit: “De dag van het onwerkelijke verdriet verbindt. Kijk eens naar het feest hier! Mensen beginnen hier elkaar spontaan te omhelzen, uit het niets elkaars veters te knopen of een boer te fluisteren. De mensen die je deze dag tegenkomt, je wilt ze allen broederlijk omhelzen; gesterkt door het weten dat men niets kan doen, niemand kan ondersteunen of anderen onmogelijk kan helpen. Hoe zou men hen in hun onwerkelijk verdriet ook kunnen helpen? Vraag het maar eens aan Tilly! Maar hoe bevrijd men is door dit gegeven! Eindelijk is men eens verlost van een niet-aflatende schuld, die men anders dagelijks meedraagt. Waarom?” – –


     Erik slikt. De kleur trekt uit zijn gezicht. Onevenwichtig buigt hij voor- en achterwaarts. Ogen die de mist inkijken. Welke mist? Even lijkt ons gesprek in een open einde te vervallen, wanneer hij plots stilvalt en roerloos niets doet. Delirische stilte. Niets blijkt minder waar! Een korte, vakkundige dionysische pauze om vervolgens twee vers aangevoerde trappistenglazen, één in linker- en één in rechterhand, tegelijk te ledigen, onderbrak zijn filosofische slotrede! Een apologie uit dramaturgisch meesterschap, die zelfs Socrates' instemming zou kunnen genieten.


     “Net omdat men deze dag niet zijn werkelijk, maar zijn onwerkelijk verdriet met zich meedraagt, kàn men niet helpen, en daarin vindt men pas echt elkaar. Ontdaan van het gevoel te moeten maar nooit te kunnen, celebreert men de derde zaterdag van januari in broederlijkheid door elkaar in het onwerkelijk gewordene van ieders leven niet te kunnen ondersteunen en gewoon maar wat te doen. Gewoon maar wat te doen...”


















De varkenskop. Marc zijn hoogtepunt van Salpenkermis.


Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. Februari 2020.

Recente blogposts

Alles weergeven

Zd-13

Na Fake News is hier Fake History - een hedendaagse vorm van geschiedschrijving.

Zd-12

Hypoglyclemische meeuw uit Oostende kampt met een serotoninetekort.

Zdumi ·4

“Hoeveel engelen kunnen dansen op een naald?” Zduma ging op zoek naar de essentie van Zduma.

De nieuwste Zduma meteen in jouw mailbox? Geef dan hier jouw e-mailadres op.

©2020 Zduma